Road Tripping
Na het zien van oneindig veel stranden zijn we inmiddels alweer een paar weken in Sydney. De grootste stad van Australië is boeiend, druk en momenteel behoorlijk onvoorspelbaar wat weer betreft. Maar eerst even terug naar het noorden.
Na reisgenote Elmy op 13 oktober te hebben opgehaald van het vliegveld in sunny Cairns, zijn we direct doorgegaan naar het reisbureau. Bring on the Eastcoast. Arme Elmy had weinig tijd om bij te komen van d’r jetlag, want de volgende ochtend zaten we op de boot op weg naar The Great Barrier Reef. Het GBR is ‘one of the world’s most incredible natural wonders’ volgens mijn Lonely Planet; de verwachtingen waren dus hoog. Het 2300km lange rif strekt zich uit langs de halve Oostkust van Australië, tot aan Papoea Nieuw Guinea. Honderden eilanden, duizenden koraalriffen: best paradijselijk allemaal. Het rif kan vanuit de ruimte worden gezien, en is langer dan de Chinese muur. Sounds good, en dus hebben we afschuwelijk veel geld uitgegeven aan iets wat al lang op het verlanglijstje staat: duiken. Best lastig nog, die duikflessen zijn zwaar. Alleen door je mond ademen klinkt ook gemakkelijker dan het is; maar de onderwaterwereld is mooi! Schitterend koraal, Nemo, kleine haaitjes: it’s busy down there. Ik vond het een indrukwekkende en tegelijkertijd vreemde ervaring: hoe mooi het ook is, het voelt raar om helemaal niets te horen, afgesloten te zijn van alles.
Na een paar dagen toeristisch Cairns zijn we officieel aan de reis naar het zuiden begonnen. Greyhound buspas aangeschaft, tas weer ingepakt en verder. We besloten van Cairns naar Brisbane te reizen met de bus, om vervolgens naar Sydney te vliegen. Tussen Brisbane en Sydney valt niet veel te beleven, en binnenlandse vluchten zijn niet heel duur. Op 16 oktober zijn we dus in de bus gestapt, op weg naar Mission Beach. In tegenstelling tot the Northern Territory is de staat Queensland erg groen en heerlijk tropisch. De overgang van woestijn naar de tropen was dus behoorlijk groot, maar het is zo mooi om de contrasten van Australië te zien. Iedere staat is zo anders, wat het fantastisch afwisselend maakt.
Mission Beach is een klein dorpje dat op het eerste gezicht niet vreselijk spannend is. Er is weinig meer dan een convenience store en een fish&chips shop, maar het bijzondere aan Mission Beach is het strand. Kilometers land, ongerept strand. Impressive, zeker omdat het onbegrijpelijk is dat het er zo rustig is. En dat ligt niet aan het strand, want dat is schitterend. Gewandeld, gevoetbald en genoten: het leven is mooi. De volgende dag zijn we in de watertaxi gestapt om Mission Beach’s andere attractie te zien: Dunk Island. Behalve de postkaartstranden kun je erfijn wandelen, het eilandje bestaat grotendeels uit regenwoud. Behoorlijk doorklimmen, maar de uitzichten over de baai maken alles goed. Als je geld overhebt, zijn er mogelijkheden plenty. Watersporten zijn hot, maar niet goedkoop. Skydiven is ook enorm populair. Maar ik heb hoogtevrees. En geen geld.
En door naar Townsville, de grootste stad van het tropische noorden. Vanuit Townsville vertrekt de ferry naar Magnetic Island, waar we moesten zijn. Na onze spullen te hebben gedumpt in het zoveelste ranzige hostel, zijn we naar het strand-om-de-hoek gelopen. Het is 320 dagen per jaar zonnig op Maggie Island, en dat is niet vervelend. Veel mooie baaien, wildlife (possums-in-prullenbakken) en een relaxte sfeer: een echt vakantieoord. De volgende ochtend hebben we toch maar geprobeerd er een enigszins actieve vakantie van te maken, en zijn we op de fiets gestapt. Helaas vergat ik mijn raadgever Lonely Planet er op na te slaan, en dat hebben we geweten. Afschuwelijk hoge bergen, geen schaduw en te weinig water: het hoogtepunt van die dag was het terugbrengen van die rotfietsen. De uitzichten vanaf de bergen zijn wel erg mooi: al raad ik aan vooral een auto te huren om er van te kunnen genieten.
Op naar Airlie Beach, een toeristisch, klein havendorpje. In feite valt er in het dorp zelf heel weinig te beleven, maar je zult er naartoe moeten wil je één van de hoogtepunten van de Oostkust willen zien: de Whitsundays. Het enige hostelwaar ik erg blij mee was vind je ook in Airlie Beach: Whitsunday Terraces. Geen beestjes, een schone douche én een balkon. Luxe.
De Whitsunday Islands. Meer dan 90 eilanden (de meeste onbewoond) zijn volgens de meeste reizigers een must-do. De eilandengroep smelt samen met the Great Barrier Reef, en valt onder de World Heritage Area. Hagelwitte stranden en warme nachten: best aangenaam. Helaas regende het de hele bloody dag toen we op de zeilboot stapten, en werden het de wetsundays. En dus zaten we in onze kanariegele regenjasjes te verkleumen op het dek. Maar het zeilen was erg leuk, en de eilanden zijn prachtig. Gelukkig was het weer de volgende dag beter, en konden we zowaar in het zonnetje zitten. Whitehaven Beach stond op het programma: het mooiste tropische strand van Australië. Het snorkelen is er fantastisch en het uitzicht over de beroemde witte stranden is spectaculair. De stinger suits wel even aantrekken als je in het kristalheldere water wilt springen, want de giftige kwallen maken een vervelend einde aan je reis. En je leven.
Na twee dagen zeilen was het tijd voor een typisch Australische bezigheid: surfen. In the town of 1770 (het jaar waarin de Britten voet aan wal zetten) hebben we ons uiterste best gedaan op de plank te (blijven) staan, maar ik kan helaas niet zeggen dat we hierin zijn geslaagd. Belachelijk moeilijk is het; wachten op de golf, vaart maken en heel snel opstaan voordat de golf over je heen spoelt. Klinkt simpel, I know. Het is me 1 keer gelukt, daarna heb ik de golven voornamelijk van de onderkant gezien.
De Oostkust is mooi. Erg laid-back, veel stranden, en vrijwel altijd mooi weer. De natuur is zo mooi, het is vreemd hoe snel je daaraan gewend raakt. Australië is een prettig, relatief veilig en behoorlijk Westers land; het is hier heerlijk.
Via Rainbow Beach zijn we doorgegaan naar Fraser Island. Klein Rainbow Beach feitje: het dorpje heeft zijn naam te danken aan de spectaculaire Rainbow Cliffs: rotsen die door erosie vorming 72 verschillende kleuren hebben.
Fraser Island is het grootste zandeiland ter wereld. Door de Aboriginals wordt het K’Gari (paradijs) genoemd. Het eiland is 120km lang, en heeft het mooiste strand dat ik tot nu toe heb gezien. Het eiland dankt zijn naam aan James en Elisa Fraser. De kapitein van ‘Stirling Castle’ en zijn vrouw leden schipbreuk vlak voor de kust in 1836. James stierf op het eiland, maar zijn vrouw overleefde het, mede door de hulp van Aboriginals. Seventy Five mile beach is fantastisch: met de 4WD zijn we het hele eiland afgehobbeld. Om het toch een beetje beknopt te houden even een snelle opsomming. Op dag 1 stonden Eli’s Point (leuk kreekje), de Coloured Sands, het Maheno scheepswrak en Indian Head op het programma. Het scheepswrak was bijzonder: in 1935 werd het schip overmeesterd door een cycloon en spoelde aan wal. Indian Heads is het hoogtepunt van het eiland: het mooiste uitzicht over de baai en het vasteland. En we hebben er walvissen gespot! De volgende dag zijn we naar Lake Mackenzie (3 kleuren helderblauw water) en het regenwoud geweest. Een groot gedeelte van het eiland bestaat uit regenwoud en er is door de Europeanen veel hout (weg)gekapt. Nu is het beschermd gebied. Fraser Islands staat ook bekend als dingo eiland. De rode hondjes zie je er overal. Wel uit de buurt blijven, want echt tam zijn ze niet. Fraser Island is erg mooi: een rustig eiland met veel natuurschoon. Aanrader.
Na Fraser Island was Mooloolooba aan de beurt. Pretty cool: mooie stranden, groot shoppingcentre. Fiets gehuurd (no hills, thank goodness) en naar naburig dorp Maroochydore gefietst. Nice place, ze verkopen er zelfs real Dutch liquorice.
En toen zat het einde van de Oostkust reis er alweer bijna op. Voordat we in Brisbane aankwamen zijn we nog een dagje naar Noosa geweest; een mooi dorp met een nog mooier National Park. Brisbane is een fijne stad. We hadden geen hoge verwachtingen doordat de meeste mensen die we tegenkwamen Brisbane als rotstad bestempelden, maar daar is niets van waar. Brissie is awesome. Toegankelijk, levendig en niet heel groot. They're all liars.
Vanuit Brisbane zijn we nog een dagje naar Surfers Paradise geweest, maar ik ben er niets paradijselijks tegengekomen. Saai en toeristisch. Toen Elmy er haar paspoort verloor was de lol er helemaal af. En dus zaten we maandagavond op het politiebureau in brilliant Brisbane. Gister kregen we een telefoontje van de smeris: het paspoort was gevonden. Awesome mate.
De reis was erg mooi, het gevoel van vrijheid is heerlijk. Veel zien; de lange, lange reistijden, always on the road. Toch wel het ultieme vakantiegevoel. In drie weken hebben we een afstand van 1681 km afgelegd, en in totaal 35.5 uur in de bus gezeten.De onafhankelijkheid en het constante verkassen maakten het een interessante, soms vermoeiende, maar bovenal fantastische roadtrip.
Momenteel zitten we alweer drie weken in Sydney. Een schitterend stad, het Opera House en de Harbour Bridge hebben iets magisch. We zijn op zoek naar een baan voor de laatste paar weken, maar dat is nog niet zo gemakkelijk. Het hostel hebben we ingeruild voor een appartementje dat we delen met vier andere backpackers; de komende weken blijven we in Sydney. Ik vlieg rond 20 december terug naar Melbourne. Home sweet home. Ik kijk uit naar marvelous Melbourne; het is fijn om nog een keertje terug te gaan voordat ik weer naar Nederland vlieg. Volgende keer meer over Sydney, voor nu is het geloof ik tijd om af te sluiten.See ya.
Karin
Foto's zijn weer te vinden op: http://melburnian.myphotoalbum.com
Reacties
Reacties
Zeg, waar blijft het vervolgverhaal ;)!
Reageer
Laat een reactie achter!
- {{ error }}