
Na het zien van oneindig veel stranden zijn we inmiddels alweer een paar weken in Sydney. De grootste stad van Australië is boeiend, druk en momenteel behoorlijk onvoorspelbaar wat weer betreft. Maar eerst even terug naar het noorden.
Na reisgenote Elmy op 13 oktober te hebben opgehaald van het vliegveld in sunny Cairns, zijn we direct doorgegaan naar het reisbureau. Bring on the Eastcoast. Arme Elmy had weinig tijd om bij te komen van d’r jetlag, want de volgende ochtend zaten we op de boot op weg naar The Great Barrier Reef. Het GBR is ‘one of the world’s most incredible natural wonders’ volgens mijn Lonely Planet; de verwachtingen waren dus hoog. Het 2300km lange rif strekt zich uit langs de halve Oostkust van Australië, tot aan Papoea Nieuw Guinea. Honderden eilanden, duizenden koraalriffen: best paradijselijk allemaal. Het rif kan vanuit de ruimte worden gezien, en is langer dan de Chinese muur. Sounds good, en dus hebben we afschuwelijk veel geld uitgegeven aan iets wat al lang op het verlanglijstje staat: duiken. Best lastig nog, die duikflessen zijn zwaar. Alleen door je mond ademen klinkt ook gemakkelijker dan het is; maar de onderwaterwereld is mooi! Schitterend koraal, Nemo, kleine haaitjes: it’s busy down there. Ik vond het een indrukwekkende en tegelijkertijd vreemde ervaring: hoe mooi het ook is, het voelt raar om helemaal niets te horen, afgesloten te zijn van alles.
Na een paar dagen toeristisch Cairns zijn we officieel aan de reis naar het zuiden begonnen. Greyhound buspas aangeschaft, tas weer ingepakt en verder. We besloten van Cairns naar Brisbane te reizen met de bus, om vervolgens naar Sydney te vliegen. Tussen Brisbane en Sydney valt niet veel te beleven, en binnenlandse vluchten zijn niet heel duur. Op 16 oktober zijn we dus in de bus gestapt, op weg naar Mission Beach. In tegenstelling tot the Northern Territory is de staat Queensland erg groen en heerlijk tropisch. De overgang van woestijn naar de tropen was dus behoorlijk groot, maar het is zo mooi om de contrasten van Australië te zien. Iedere staat is zo anders, wat het fantastisch afwisselend maakt.
Mission Beach is een klein dorpje dat op het eerste gezicht niet vreselijk spannend is. Er is weinig meer dan een convenience store en een fish&chips shop, maar het bijzondere aan Mission Beach is het strand. Kilometers land, ongerept strand. Impressive, zeker omdat het onbegrijpelijk is dat het er zo rustig is. En dat ligt niet aan het strand, want dat is schitterend. Gewandeld, gevoetbald en genoten: het leven is mooi. De volgende dag zijn we in de watertaxi gestapt om Mission Beach’s andere attractie te zien: Dunk Island. Behalve de postkaartstranden kun je er fijn wandelen, het eilandje bestaat grotendeels uit regenwoud. Behoorlijk doorklimmen, maar de uitzichten over de baai maken alles goed. Als je geld overhebt, zijn er mogelijkheden plenty. Watersporten zijn hot, maar niet goedkoop. Skydiven is ook enorm populair. Maar ik heb hoogtevrees. En geen geld.
En door naar Townsville, de grootste stad van het tropische noorden. Vanuit Townsville vertrekt de ferry naar Magnetic Island, waar we moesten zijn. Na onze spullen te hebben gedumpt in het zoveelste ranzige hostel, zijn we naar het strand-om-de-hoek gelopen. Het is 320 dagen per jaar zonnig op Maggie Island, en dat is niet vervelend. Veel mooie baaien, wildlife (possums-in-prullenbakken) en een relaxte sfeer: een echt vakantieoord. De volgende ochtend hebben we toch maar geprobeerd er een enigszins actieve vakantie van te maken, en zijn we op de fiets gestapt. Helaas vergat ik mijn raadgever Lonely Planet er op na te slaan, en dat hebben we geweten. Afschuwelijk hoge bergen, geen schaduw en te weinig water: het hoogtepunt van die dag was het terugbrengen van die rotfietsen. De uitzichten vanaf de bergen zijn wel erg mooi: al raad ik aan vooral een auto te huren om er van te kunnen genieten.
Op naar Airlie Beach, een toeristisch, klein havendorpje. In feite valt er in het dorp zelf heel weinig te beleven, maar je zult er naartoe moeten wil je één van de hoogtepunten van de Oostkust willen zien: de Whitsundays. Het enige hostel waar ik erg blij mee was vind je ook in Airlie Beach: Whitsunday Terraces. Geen beestjes, een schone douche én een balkon. Luxe.
De Whitsunday Islands. Meer dan 90 eilanden (de meeste onbewoond) zijn volgens de meeste reizigers een must-do. De eilandengroep smelt samen met the Great Barrier Reef, en valt onder de World Heritage Area. Hagelwitte stranden en warme nachten: best aangenaam. Helaas regende het de hele bloody dag toen we op de zeilboot stapten, en werden het de wetsundays. En dus zaten we in onze kanariegele regenjasjes te verkleumen op het dek. Maar het zeilen was erg leuk, en de eilanden zijn prachtig. Gelukkig was het weer de volgende dag beter, en konden we zowaar in het zonnetje zitten. Whitehaven Beach stond op het programma: het mooiste tropische strand van Australië. Het snorkelen is er fantastisch en het uitzicht over de beroemde witte stranden is spectaculair. De stinger suits wel even aantrekken als je in het kristalheldere water wilt springen, want de giftige kwallen maken een vervelend einde aan je reis. En je leven.
Na twee dagen zeilen was het tijd voor een typisch Australische bezigheid: surfen. In the town of 1770 (het jaar waarin de Britten voet aan wal zetten) hebben we ons uiterste best gedaan op de plank te (blijven) staan, maar ik kan helaas niet zeggen dat we hierin zijn geslaagd. Belachelijk moeilijk is het; wachten op de golf, vaart maken en heel snel opstaan voordat de golf over je heen spoelt. Klinkt simpel, I know. Het is me 1 keer gelukt, daarna heb ik de golven voornamelijk van de onderkant gezien.
De Oostkust is mooi. Erg laid-back, veel stranden, en vrijwel altijd mooi weer. De natuur is zo mooi, het is vreemd hoe snel je daaraan gewend raakt. Australië is een prettig, relatief veilig en behoorlijk Westers land; het is hier heerlijk.
Via Rainbow Beach zijn we doorgegaan naar Fraser Island. Klein Rainbow Beach feitje: het dorpje heeft zijn naam te danken aan de spectaculaire Rainbow Cliffs: rotsen die door erosie vorming 72 verschillende kleuren hebben.
Fraser Island is het grootste zandeiland ter wereld. Door de Aboriginals wordt het K’Gari (paradijs) genoemd. Het eiland is 120km lang, en heeft het mooiste strand dat ik tot nu toe heb gezien. Het eiland dankt zijn naam aan James en Elisa Fraser. De kapitein van ‘Stirling Castle’ en zijn vrouw leden schipbreuk vlak voor de kust in 1836. James stierf op het eiland, maar zijn vrouw overleefde het, mede door de hulp van Aboriginals. Seventy Five mile beach is fantastisch: met de 4WD zijn we het hele eiland afgehobbeld. Om het toch een beetje beknopt te houden even een snelle opsomming. Op dag 1 stonden Eli’s Point (leuk kreekje), de Coloured Sands, het Maheno scheepswrak en Indian Head op het programma. Het scheepswrak was bijzonder: in 1935 werd het schip overmeesterd door een cycloon en spoelde aan wal. Indian Heads is het hoogtepunt van het eiland: het mooiste uitzicht over de baai en het vasteland. En we hebben er walvissen gespot! De volgende dag zijn we naar Lake Mackenzie (3 kleuren helderblauw water) en het regenwoud geweest. Een groot gedeelte van het eiland bestaat uit regenwoud en er is door de Europeanen veel hout (weg)gekapt. Nu is het beschermd gebied. Fraser Islands staat ook bekend als dingo eiland. De rode hondjes zie je er overal. Wel uit de buurt blijven, want echt tam zijn ze niet. Fraser Island is erg mooi: een rustig eiland met veel natuurschoon. Aanrader.
Na Fraser Island was Mooloolooba aan de beurt. Pretty cool: mooie stranden, groot shoppingcentre. Fiets gehuurd (no hills, thank goodness) en naar naburig dorp Maroochydore gefietst. Nice place, ze verkopen er zelfs real Dutch liquorice.
En toen zat het einde van de Oostkust reis er alweer bijna op. Voordat we in Brisbane aankwamen zijn we nog een dagje naar Noosa geweest; een mooi dorp met een nog mooier National Park. Brisbane is een fijne stad. We hadden geen hoge verwachtingen doordat de meeste mensen die we tegenkwamen Brisbane als rotstad bestempelden, maar daar is niets van waar. Brissie is awesome. Toegankelijk, levendig en niet heel groot. They're all liars.
Vanuit Brisbane zijn we nog een dagje naar Surfers Paradise geweest, maar ik ben er niets paradijselijks tegengekomen. Saai en toeristisch. Toen Elmy er haar paspoort verloor was de lol er helemaal af. En dus zaten we maandagavond op het politiebureau in brilliant Brisbane. Gister kregen we een telefoontje van de smeris: het paspoort was gevonden. Awesome mate.
De reis was erg mooi, het gevoel van vrijheid is heerlijk. Veel zien; de lange, lange reistijden, always on the road. Toch wel het ultieme vakantiegevoel. In drie weken hebben we een afstand van 1681 km afgelegd, en in totaal 35.5 uur in de bus gezeten. De onafhankelijkheid en het constante verkassen maakten het een interessante, soms vermoeiende, maar bovenal fantastische roadtrip.
Momenteel zitten we alweer drie weken in Sydney. Een schitterend stad, het Opera House en de Harbour Bridge hebben iets magisch. We zijn op zoek naar een baan voor de laatste paar weken, maar dat is nog niet zo gemakkelijk. Het hostel hebben we ingeruild voor een appartementje dat we delen met vier andere backpackers; de komende weken blijven we in Sydney. Ik vlieg rond 20 december terug naar Melbourne. Home sweet home. Ik kijk uit naar marvelous Melbourne; het is fijn om nog een keertje terug te gaan voordat ik weer naar Nederland vlieg. Volgende keer meer over Sydney, voor nu is het geloof ik tijd om af te sluiten. See ya.
Karin
Foto's zijn weer te vinden op: http://melburnian.myphotoalbum.com
G'day,
Outback Australia foto's:
http://melburnian.myphotoalbum.com
Karin
G'day,
Na een reis van meer dan 4000km ben ik vorige week aangekomen in Cairns, een stadje in de staat Queensland. De reis Adelaide-Darwin was schitterend, en ik weet eigenlijk niet waar ik moet beginnen. Om het verhaal enigszins beknopt te houden: de hoogtepunten.
Op 29 september stond weer het welbekende touringcar busje voor de deur. De eerste (noemenswaardige) stop was Quorn, ‘gateway to the Flinders Ranges'. De Flinders Ranges is een van de oudste gebergtes ter wereld, en de afstammelingen van de Adnyamthanha stam (betekenis: ‘rots volk') wonen er nog steeds. De ranges waren een absoluut hoogtepunt van de reis wat mij betreft. Wandelschoenen aangetrokken, en op naar de Dutchman's Stern. De klim was zwaar, maar het uitzicht maakte veel goed. Volgens ontdekkingsreiziger Matthew Flinders lijkt het gebergte op het achtersteven van een Nederlands zeilschip, vandaar de naam. Rare jongens, die Britten.
Wilpena Pound ligt in het hart van de Flinders Ranges en is een gebied dat erg geschikt is voor het maken van wandelingen. Na weer een pittige klim, was het uitzicht wederom spectaculair. Er is naast mooie uitzichten ook veel Aboriginal rockart te vinden, sommige van deze rotsschilderingen zijn duizenden jaren oud. Aboriginal kunst is erg gewild, en er zijn hier dan ook erg veel gallerijen te vinden.
Outback Australë is eigenlijk waar deze reis om draaide, en de volgende dag lieten we de beschaving dan ook achter ons. ‘Outback' is een verzamelnaam voor het enorme stuk ‘niemandsland' in het hart van Australië. De Europeanen wisten zeker dat er een oceaan in het midden van het land (lees: woestijn) moest zijn, en de enorm intelligente ontdekkingsreizigers gingen dan ook vol goede moed op pad. Zelfs de zeilboot werd meegenomen, want dat hele stuk teruglopen hoeft natuurlijk niet als je ook kunt varen. De oceaan werd helaas nooit gevonden, en veel pioniers vonden de dood in de woestijn door een gebrek aan water en voedsel. Ook de ongenadige temperaturen werkten niet echt mee: op sommige plaatsen kan het oplopen tot 55 graden. De 200.000 wilde kamelen hebben er weinig last van. Aan het einde van de 19e eeuw kwamen de Afghanen de slightly stupid Europeanen een handje helpen: op de kameel werd geprobeerd het land te doorkruisen. Niet echt een succes, en dus lieten de Afghanen de kamelen vrij. De beesten schijnen behoorlijk hard te kunnen rennen, en worden tegenwoordig verkocht aan Arabische landen om hun enorme snelheid.
De woestijn is behoorlijk indrukwekkend. Uren en uren rijden door een gebied waar bijna niemand woont. De natuur is schitterend; het heeft de afgelopen maanden veel geregend, waardoor de woestijn in bloei staat momenteel. Kangoeroes, de eerdergenoemde wilde kamelen, roofvogels: er valt veel te zien. Hoe verder we naar het noorden reisden, hoe roder het zand werd. Wat mij betreft toch wel het ‘echte' Australië. Onderweg kom je zo nu en dan dorpjes (of eigenlijk: benzinestations) tegen, waar je een smerig bakje koffie en een ijsje kunt kopen. En kunt tanken natuurlijk.
Coober Pedy is ‘DE opaal hoofdstad van de wereld'. Een bizar stadje midden in de woestijn, waar in het verleden veel opaal werd gevonden. Er zijn in Coober Pedy een aantal films opgenomen (Priscilla Queen of the Desert, Mad Max) en het voelt ook echt als een filmset. Coober Pedy betekent trouwens ‘witte man in gat', en dat is best een goede beschrijving. Er wonen zo'n 3500 mensen, voornamelijk fortuinzoekers. Het dorp bestaat uit een hoop zand, planten en bomen vind je er bijna niet. Op een bewoonster na, die koste wat kost een voortuin wilde. De tuin is er gekomen, een groen lapje grond middenin de woestijn. Het hebben van een tuintje kost wel wat: het vrouwtje moet maandelijks $700 betalen om haar tuin van water te kunnen voorzien. Omdat het vooral tijdens de zomermaanden walgelijk warm is (50-55 graden) wonen de meeste inwoners van Coober Pedy onder de grond. In de rotsen hebben ze hun huisjes uitgehouwen, en het is er een stuk aangenamer dan boven de grond. De gemiddelde temperatuur is er het hele jaar door niet hoger dan 25 graden. De highlights van het dorp: de begraafplaats, de mijnen, de opaal shop en John's Pizza bar. De mijn tour was wel bijzonder, en ik heb nog een poging gedaan om snel rijk te worden. Helaas geen opaal te vinden. Oh well.
Na de nacht in bruisend Cooper Pedy te hebben doorgebracht, gingen we de volgende dag vroeg op weg naar HET Australische icoon: Uluru. De welbekende oranje rotsformatie in het midden van het land. Vroeger heette het gevaarte Ayers Rock, maar nadat de Aboriginals hun land weer terug hebben gekregen, is de naam veranderd. Uluru it is. De bekende rots wordt jaarlijks door een half miljoen toeristen bezocht. Op de postkaartjes ziet Uluru er niet vreselijk groot uit, maar in werkelijkheid is ie 3,6 km lang en 348m hoog. Veel mensen willen 'the rock' beklimmen, maar voor de Anangu, de Aboriginal eigenaren van het land, is het een heilige plaats. Op de rots staan wordt dus niet zo gewaardeerd. Er zijn 35 (koppige) toeristen gestorven tijdens het beklimmen van Uluru, voornamelijk aan hartaanvallen. De rots is vreselijk steil en het is bloedheet momenteel. Het beklimmen van de rots wordt nog steeds wel toegestaan, omdat gevreesd wordt dat toeristen anders niet langer willen komen. Een indrukwekkende tocht van 9,3km om de rots heen is volgens mij niet minder indrukwekkend. Van dichtbij ziet Uluru er toch wel erg mooi uit. De avond daarvoor zagen we de zon ondergaan achter de rots, de volgende ochtend weer vroeg opstaan voor de zonsopgang. Pretty beautiful.
Kata Tjuta wordt een beetje overschaduwd door Uluru, maar is wat mij betreft net zo indrukwekkend. Een groep van 36 knalrode koepelrotsen, zo'n 35km vanaf Uluru. Kata Tjuta betekent 'veel hoofden' en is net als Uluru een heilige plaats voor de Aboriginals. We hebben een wandeling van 2,6km gemaakt, echt schitterend. Watervallen, beken en mooie uitzichten; I like Australia.
Kings Canyon is was een van de vele hoogtepunten tijdens deze reis, of Watarrka, de Aboriginal naam van het nationale park. Hoge rotsen (sommige 250m), en de mooiste uitzichten die ik tot nu toe heb gezien. Het rode hart van Australië is zo mooi! De temperaturen lopen inmiddels wel weer hoog op; dus voor het maken van wandelingen is het aan te raden zo vroeg mogelijk te vertrekken zodat je de ergste hitte voor kunt zijn. Op sommige plaatsen werd gewaarschuwd voor 50 graden, en de zomer is nog niet eens begonnen. Namen als Heart Attack Hill (no lie) maken de lange wandelingen er trouwens ook niet gezelliger op.
En toen zat de eerste helft van de reis naar Darwin er al weer op. De afstanden zijn zo enorm, we hebben alleen de eerste week al 3000km gereden. Fantastisch om de oneindige woestijn aan je voorbij te zien trekken, ik vond het echt schitterend. Zo had ik me Australië voorgesteld. De laatste stop van de eerste helft van de reis was Alice Springs, een dorp middenin de woestijn. Alice heeft 30,000 inwoners, en is de grootste stad binnen een straal van 1500km. Het dorp heeft behalve een marktje en het Royal Flying Doctors Service Museum weinig te bieden, maar na de best zware eerste week, konden we twee dagen uitrusten in boring Alice. Poolse reisgenoot Milena liep bedbugs op (door een gebrek aan hygiëne word je de hele nacht gebeten door kleine beestjes en zit je onder de rode vlekken/bulten), Italiaans reisgenootje vergat dat ze voor de volgende dag een nieuwe tour had geboekt en verknalde hierdoor bijna haar hele reis, en het personeel van het hostel was ronduit asociaal. Alice Springs sucks. That's all I can say about that.
Na twee dagen Alice Springs was het tijd voor het vervolg van de reis. Tussen Alice Springs en Darwin valt niet heel veel te beleven, de hoogtepunten waren de Devils Marbles en Katherine Gorge. Geologen geloven dat de ernorme stenen zijn gevormd door water erosie, de Aboriginals denken dat het de Regenboog slang was die de Devils Marbles creëerde. Hoe dan ook: de enorme stenen zijn mooi.
Nitmiluk (Katherine Gorge) deed me denken aan Zuid-Frankrijk: hoge rotsen, diepe kloven. Er wordt hier veel aan watersport gedaan, maar wij hebben de wandelschoenen maar weer eens aangetrokken. Fijne uitzichten, het was een leuk tochtje.
Eenmaal in de Top End aangekomen, zat de 2-weekse reis er helaas al weer op. Ik zou nog pagina's vol kunnen schrijven over de Magnetic Termite Mounds, Florence Falls, de Aboriginal Tour, de krokodillen rivier cruise, Litchfield National Park, Aboriginal Rock Art in Ubirr en de Barramundi Gorge, maar ik houd het maar bij de hoogtepunten. Oh, over Kakadu National Park moet ik nog wel even iets vertellen, zo mooi! Zo'n 150km vanaf eindpunt Darwin vind je Kakadu National Park, het grootste nationale park van Australië (19,804km2). Je vindt er meer dan 1600 plantensoorten, 75 reptielen soorten en minstens 10.000 insecten varianten. Tijdens het 'wet season' (regenseizoen: november-maart) zijn veel gebieden onbegaanbaar. De hoogtepunten van Kakadu zijn twee watervallen: Jim Jim en de Twin Falls. Ze zijn alleen te bereiken met de 4WD. De Twin Falls zijn 150m hoog en je wordt, na de wilde 4WD rit, met een bootje over de rivier gezet, vanwaar je nog een km over rotsen moet klimmen om de watervallen te bereiken. Zwemmen is niet verstandig in verband met krokodillen.
De erg lange klim naar de Jim Jim Falls is een avontuur op zich. Hoge rotsen, vrijwel geen wandelpad. Zelfs ik ben na de lange, warme tocht in het water gesprongen. Nee, geen krokodillen gezien.
Na dagen door the Outback te hebben gereisd, kwam de beschaving weer in zicht. Darwin is een niet vreselijk interessant stadje waar vooral veel wordt gefeest; na de lange rit door de woestijn is dit voor velen het eindpunt. Met Britse reisgenoot Penny heb ik in Darwin veel te veel cappucchino gedronken, gewinkeld, en afscheid genomen van de groep. Na twee dagen Darwin ben ik naar Cairns (Oostkust) gevlogen, vanwaar ik in drie weken met Nederlandse reisgenote Elmy naar Brisbane reis. Inmiddels reizen we alweer een week samen, en zijn we momenteel in Airlie Beach, Queensland. Maar daar de volgende keer meer over.
groet,
Karin
P.S. Sorry: geen foto's deze keer. Mijn laptop heeft het begeven en ik mag geen foto's uploaden in dit internetcafe. Ik probeer het binnenkort ergens anders.
G'day,
Het backpackers leven is nu officieel begonnen. Afgelopen vrijdag was mijn laatste werkdag op Bungaree Station, en gister ben ik door baas Mark naar Adelaide gebracht. Ik heb een fijne tijd gehad, en het is jammer dat het alweer voorbij is. Hard gewerkt, maar vooral erg genoten van alle (nieuwe) ervaringen.
Paardenraces zijn in Australië enorm populair, en dus moest ik er aan geloven. In Balaclava, een dorp niet ver van Clare, werd ook dit jaar weer een ‘cup' georganiseerd. Het hoogtepunt van de paardenraces zijn eigenlijk niet eens de knollen zelf, maar het verplichte verkleedpartijtje dat hierbij komt kijken. Alle vrouwen dragen jurken (en proberen elkaar wanhopig af te troeven) en de mannen ruilen hun houthakkershemden-en-Akubra-hoed in voor een driedelig pak. Ik vond het wel een geestige vertoning: er wegzakkend-in-de-blubber op je mooist uitzien. Het blijft een plattelands evenement en dat betekent voornamelijk: bier. Zoveel en zo vroeg mogelijk. En wedden. Met dat laatste heb ik enthousiast meegedaan trouwens, wat een feest! Dankzij de prestaties van peerd Haddle McDaddle ben ik nu $19.80,- rijker. De tactiek? Wedden op het paard met de meest belachelijke naam. Het heeft drie keer gewerkt; en als ik niet zo zuinig zou zijn geweest met inzetten, was ik nu de rijkste backpacker van het land geweest. Oh: en laat je niet afleiden door Australiërs-aan-de-zijlijn. Ik stond op het punt om geld in te zetten, toen er een oude boer naast me kwam staan. ‘Don't drink too much of that stuff!' wijzend op mijn wodka-cola (smerig, trouwens). Hij bleek een imker te zijn, en zag het oplossen van natuurrampen niet als een probleem . ‘All we have to do, is send flour and honey to Pakistan, and no one will starve!' Het paard waarop ik zou gaan wedden behaalde tijdens dit enorm inspirerende gesprek de overwinning. Thanks, Gandhi.
Het voelt vreemd om geen verblijfplaats meer te hebben. Na negen maanden stagiaire en boerin te zijn geweest, ben ik nu toegekomen aan mijn laatste Australië avontuur: reizen. Niet vervelend, hoor. De maanden zijn voorbijgevlogen, en ik kan eigenlijk niet geloven dat ik nog maar drie maanden te gaan heb voordat ik weer naar Nederland ‘moet'. Hekken verven, schapen vaccineren, dieren-voeren-met-toeristenkinderen, lammeren en kangoeroes grootbrengen, tuinieren, miljoenen bedden verschonen: het was een interessante tijd. Bungaree Station was zo anders dan het wonen en werken in Melbourne: twee compleet verschillende werelden. Het was fijn ‘the best of both worlds' van dichtbij te kunnen meemaken. Ik ben een gelukkig mens.
Nog een laatste keer terug naar Bungaree Station. Of eigenlijk, een ander station. Mick, een vriend van bazen Vicky en Mark, is boer. Hij woont zo'n 3 uur rijden vanaf Clare (‘It's not far away, really') en heeft een leuk lapje grond. Vierhonderd vierkante kilometer, om precies te zijn. Voor Australische begrippen maar een klein bedrijfje, maar ik vond het indrukwekkend genoeg. Hij houdt schapen en geiten voor wol en vlees, en verbouwd zijn eigen fruit en groenten. De supermarkt is niet bepaald in de buurt, en als je iets wilt eten; zul je daar zelf voor moeten zorgen. Volgens Mark móest ik een keertje mee, want veel Australischer dan Mick's bedrijf zou het niet worden. En dus stapten we vorige week in de auto, op weg naar wereldstad Yunta. Een hotel annex pub en een Shell, is alles wat Yunta te bieden heeft. En Mick's bedrijf natuurlijk. De oprijlaan was iets langer dan die in de Neerlandse voortuintjes; na 45 minuten over het erf te hebben gereden, kwamen we eindelijk aan bij de zogenaamde homestead. Of huis, zoals we dat in Nederland zo poëtisch omschrijven. Na de avond gezellig bij het kampvuur (zonder marshmallows, mét bier en roasted lamb) te hebben gezeten, hebben we de swags uitgerold. Een swag is een typisch Australische uitvinding. Het is een soort van grote waterdichte slaapzak, waar je een matrasje en deken/slaapzak instopt. Geen tent, je slaapt nog steeds wel in de openlucht, maar je kunt alles tegelijkertijd oprollen en vlak voor gebruik weer snel uitrollen. Je hoeft dus geen tent op te zetten, maar hebt altijd een bed bij je. Zie foto voor een iets duidelijker beeld. De volgende ochtend zijn we met Mick en boerderijhulp Finn over het erf gereden om de waterreservoirs te controleren. Over het hele erf staan verscheidene windmolentjes, maar het water moet regelmatig worden gecontroleerd. De dieren weten waar ze het water kunnen vinden, maar als er iets niet werkt, sterven ze binnen een dag aan uitdroging. Vooral tijdens de zomermaanden, als de temperaturen hoog oplopen. Alles werkte naar behoren, en dus konden we de rest van de middag de boel eens van dichtbij bekijken. Het is zó groot, het is bijna niet voor te stellen. Uren rijden, over je eigen erf. Veel kangoeroes en emu's gespot, en konijnen. Heel veel konijnen. Ze zijn door de Britten naar Australië gehaald, en vernielen alles. Australiërs zijn dus niet zo onder de indruk van de beestjes, en zien ze liever dood dan levend. Het konijntje dat vlak voor ons liep en de fout maakte stil te blijven staan, eindigde diezelfde avond aan het spit.
Na een hele dag de meest spectaculaire landschappen en uitzichten te hebben gezien, werden de swags ‘s avonds uitgerold rond een van de vele dammen op het erf. Tijd voor een typisch Australische bezigheid: vissen naar yabbies. De netten hadden we vlak voor zonsondergang uitgegooid, en 's avonds bij het kampvuur hebben we yabbies gegeten. En konijn. Een yabbie is een kreeftachtig beestje, niet veel groter dan een centimeter of 15. Ze smaken niet verkeerd, al zit er niet veel vlees aan het beestje. 's Avonds vlak naast het kampvuur geslapen (het is KOUD in South Australia) en nog steeds keelpijn van het rook inhaleren. Het was een leuk weekend, en ik ben nog steeds erg onder de indruk van de grootsheid van het land. Dat is iets wat we in Nederland echt niet kennen, en wat hier eigenlijk de normaalste zaak van de wereld is.
Momenteel ben ik in Adelaide, waar ik een paar dagen blijf om de laatste dingetjes te regelen voordat de reis kan beginnen. Ik heb een aantal weken geleden een tweeweekse reis geboekt naar Darwin, de meest noordelijke stad van het land. Vanaf a.s. maandag reis ik met een groep in een bus (jaja, het is weer zover), dwars door het hart van Australië naar het noorden. De zogenaamde Outback is enorm, en het wordt een fantastische reis. We starten in Adelaide, en gaan onderweg van alles bekijken. Flinders Ranges (nationaal park), Coober Pedy (ondergrondse stad), Uluru (die welbekende oranje rotsformatie), Kata Tjuta, Kings Canyon, Alice Springs, Kakadu National Park. The whole shebang. En woestijn, HEEL veel woestijn. Uiteindelijk komen we na een reis van 3000km aan in Darwin, waar ik een paar dagen zal blijven. Vervolgens vlieg ik op 12 oktober naar Cairns, aan de Oostkust. Daar ga ik mijn nieuwe reisgenote voor de komende maanden ontmoeten. De Limburgse Elmy heb ik ‘ontmoet' op een reisforum, en we hebben het plan opgevat om in de Greyhound bus (iets avontuurlijker dan de georganiseerde reizen) de Oostkust af te reizen. Dit betekent dat we een busticket kopen, en in- en uit kunnen stappen waar we willen. Het plan is, om van Cairns naar Brisbane te reizen, en vervolgens naar Sydney te vliegen om een paar dagen de stad te bekijken. Tasmanië wil ik erg graag zien, dus mocht het financieel allemaal lukken, dan hoop ik daar ook nog een dag of 7 naartoe te kunnen gaan. Ik eindig mijn reis in marvelous Melbourne, vanwaar ik op 27 december terug naar Nederland vlieg.
I'm excited! Het wordt zo mooi; van de woestijn naar de tropische Oostkust, en alles wat daar tussenin zit. Eindelijk! Goed, tijd om te gaan slapen.
Karin
P.S.: Foto's zijn weer te vinden op: http://melburnian.myphotoalbum.com/
G'day,
Het is altijd verbazingwekkend hoe snel tijd voorbijgaat. Terwijl het juist voelt alsof de tijd hier stilstaat. Niet helemaal waar misschien, maar het leven op een boerderij is toch echt heel anders dan stagelopen in een enorme stad.
Een aantal weken geleden hebben Vicky en Mark me meegenomen naar Yorke Peninsula, een schiereiland niet ver vanaf Adelaide. Via dorpjes Snowtown, Bute, Kadina en Moonta kwamen we uiteindelijk bij de kust aan, waar we in de plaatselijke bakkerijtjes Lamingtons (traditioneel Australisch chocolade/kokos gebakje) en Cornish Pasty's (Brits deegtaartje) hebben gegeten. En veel koffie gedronken: nergens zijn de cappuccino's beter dan in Australië. Honestly. De Yorke Peninsula was een belangrijke producent van granen, en de havens werden gebruikt om de goederen te verschepen. Nu is het vooral een hip vakantieoord, veel inwoners van Adelaide bouwen hier hun vakantiehuis(je). De uitzichten zijn prachtig, en het is er niet heel toeristisch.
Onderweg hebben we (natuurlijk) weer een wijnproeverij bezocht; ze zijn hier reuze trots op hun eigen ‘booze'. De afstanden in Australië zijn enorm, een dagje uit betekent dat je zo'n beetje de hele dag in de auto zit. Niet erg, want er valt veel te zien onderweg.
And back to work again. Ik heb het naar mijn zin op Bungaree Station, de dagen vliegen voorbij. Het is altijd druk, toeristen komen en gaan; en de huisjes moeten bijna iedere dag schoongemaakt worden. Bedden verschonen, stofzuigen, koken - altijd iets te doen. Tuinieren doen we ook veel: we hebben deze maand 12 fruitbomen geplant (my back's killing me) en ik snoei regelmatig een boom hier en daar. Eeltige handen, behoorlijk wat schrammen; ik word een echte vent. Wat dieren betreft: er zijn een aantal edities bijgekomen. Vorige week is er een kangoeroe jong (ze worden hier joey's genoemd) gearriveerd, en gister stond er een lam in de kamer te blèren. Waar moeders is gebleven, is niet helemaal duidelijk. Ik houd me momenteel bezig met de flesvoedingen van het schaap-zonder-naam, en Vicky voert de kangoeroe. Volgende week krijgt de joey een mate: kangoeroe jong #2 is wees and has no place to go. Nóg meer flesvoedingen.
Vorige week heb ik Bungaree Station voor een paar dagen verlaten: terug naar Adelaide! Vicky en Mark waren van plan een aantal vrienden te bezoeken, en ik heb maar van de gelegenheid gebruikt gemaakt. Weer even terug naar de ‘bewoonde wereld'. Na afgezet te zijn voor het hostel in Adelaide, ben ik de volgende ochtend naar het backpackers reisbureau gegaan, en heb een 2-daagse Kangaroo Island tour geboekt. Ja, weer een groepsreis. I know, niet echt avontuurlijk; maar wel zo gezellig. Alleen reizen vind ik niet vreselijk leuk en op Kangaroo Island is bijna geen openbaar vervoer te vinden. Aangezien ik geen rijbewijs heb, wordt het dus erg lastig verplaatsen. Kangaroo Island is een behoorlijk groot eiland (150 bij 50km), gelegen aan de zuidkust van Australië. Er wonen maar 4000 mensen, wat het erg desolaat maakt. Voor vertrek naar KI, moest ik me nog een dagje in Adelaide vermaken, de tour vertrok pas de volgende ochtend. Boodschappen gedaan, naar de kapper geweest, een stad heeft zo zijn voordelen. 's Middags had ik nog een paar uurtjes over, en heb ik de Gallery of South Australia bezocht. Schitterende schilderijen, mooie foto-exhibitie, het was een feestje.
De volgende ochtend werd ik om 06.00u (ja, 's ochtends...) opgehaald door het welbekende reisbusje-met-levensgroot-logo, en werd me verteld dat de groep maar uit vijf mensen bestond. Vier Duitsers en ik. Hoera. De Duitse invloeden zijn behoorlijk merkbaar in South Australia, onderweg zijn we gestopt bij een bakkerijtje en hebben ons volgegeten aan sehr güte Kuchen und Gebäck. Na een rit van ongeveer anderhalf uur arriveerden we in Cape Jervis, en zijn we op de boot richting Kangaroo Island gestapt. De ferry-rit duurde 45min, en eenmaal aangekomen in de op één na grootste ‘stad' op KI (Penneshaw - 300 inwoners), kon de echte reis beginnen.
Kangaroo Island is na Tasmanië en Melville (noorden van het land) het grootste eiland van Australië. De productie van honing, wijn en wol zijn de grootste bronnen van inkomsten, naast het ecotoerisme. Door een stijging van de zeespiegel werd het eiland 10.000 jaar geleden van het vasteland gescheiden, en in 1802 werd Kangaroo Island door Engelse ontdekkingsreiziger Matthew Flinders ontdekt. Hij heeft het eiland zijn enorm originele naam gegeven omdat hij, je raadt het al, als eerste skippy's tegenkwam. Matthew en kornuiten hadden al een aantal dagen niet gegeten, en hebben dus als eerst maar verscheidene kangoeroes een kopje kleiner gemaakt. Een Fransoos heeft later de boel grotendeels in kaart gebracht, waardoor je veel Franse plaatsnamen tegenkomt. Er werd tot een tijdje terug altijd aangenomen dat er geen Aboriginals op het eiland woonden, omdat er niets werd gevonden dat hun aanwezigheid bewees. Tot er tijdens opgravingen o.a. wapens werden aangetroffen, wat aangaf dat er dus wel degelijk Aboriginals op het eiland hebben geleefd. Wat er met de stam is gebeurd, is nog steeds een mysterie. Door Aboriginals op het vasteland wordt het eiland ‘Island of death' genoemd. Niet erg hoopvol.
KI is vooral erg in trek door de mooie natuur. Een derde van het eiland bestaat uit beschermd gebied. Er zijn veel inheemse dieren te vinden (mierenegel, tammarwallabie) doordat vossen en konijnen er, in tegenstelling tot het vasteland, ontbreken. Deze dieren hebben veel schade aangericht, maar op KI kunnen de inheemse beestjes fijn hun gang gaan.
Eerste stop was Prospect Hill, met fantastische uitzichten over de oceaan. Het was erg rustig op het eiland, het hoogseizoen is nog niet begonnen. Vanaf Prospect Hill heb je ook een schitterend uitzicht op de American River. Wéér een originele naam. Zo genoemd door Amerikanen die er begin 19e eeuw op zeehonden jaagden. Deze fijne kerels ontvoerden Aboriginal vrouwen uit o.a. Tasmanië, en gebruikten ze om zeehonden te doden. De Aboriginal vrouwen waren fantastische jagers, ze zwommen onopgemerkt naar de zeehonden kolonies om ze vervolgens te doden, zonder paniek te veroorzaken onder de dieren. Pretty amazing. Daarna op naar Seal Bay, één van de grootste trekpleisters van het eiland. In de baai liggen weet-ik-hoeveel zeehonden een beetje te liggen, je kunt op 10m afstand de beesten van dichtbij bekijken. Er zijn wereldwijd maar 12,000 van deze dieren en de meeste hiervan zijn te vinden aan de kust van South Australia. De uitzichten over de baai zijn alleen al schitterend.
Little Sahara. Een verzameling zandduinen waar je erg fijn op kunt sand-boarden. Op een soort surfplank van de duinen afracen, best leuk. Als het niet heeft geregend tenminste, want dan kom je niet echt vooruit. En dat had het de dagen voor de trip veel gedaan, dus de duinen waren vochtig. Oh well.
Op naar de cottage, in the middle-of-nowhere. Eten en bagage uitladen, en in de bus maar weer. Op het eiland zijn veel pinguïns te vinden, en die zijn 's nachts wakker. Gewapend met half afgedekte zaklamp (‘you'll blind the penguins...') dus maar het strand afgezocht naar de beesten. Best leuke diertjes, al doen ze niet veel interessants. 's Avonds BBQ (inclusief vegetarische burgers!) en daarna fijn rond het kampvuur marshmallows geroosterd.
De volgende ochtend ging om 06.00u de wekker; ontbijten, inpakken en wegwezen. Dat reizen is best vermoeiend. Eerste stop was The Cape du Couedic Lighthouse, een vuurtoren die tussen 1906 en 1909 gebouwd is nadat de ruwe zee veel levens had gekost. Een paar honderd meter verderop was de volgende trekpleister: Admirals Arch. Via een lange houten steiger bereik je uiteindelijk de rots waar weer een zeehonden kolonie ligt te relaxen. Een prachtige wandeling met schitterende uitzichten, woeste zee (er zijn zes backpackers verdronken) en kangoeroes. En zeehonden natuurlijk.
Vier kilometer verderop zijn de Remarkable Rocks te vinden, vreemd uitziende rotsen die door erosie, wind, water en zout zijn gevormd. Ze zijn groot, en hebben bijzondere vormen. Ze staan boven op een klif, en de uitzichten zijn spectaculair. Na de Remarkable Rocks zijn we verder gereden naar Flinders Chase, een groot nationaal park. Hier hebben we gewandeld en geluncht, en zijn in totaal vier andere mensen tegengekomen. Het fijne van Australië is, dat het een groot land is. Heel groot. Wat betekent dat je niet overal honderden andere toeristen tegenkomt, er is ruimte genoeg. Tijd om terug te rijden naar Penneshaw, om de boot te kunnen halen. Eenmaal weer op het vasteland, zijn we terug naar Adelaide gereisd en zaten de vrije dagen er al weer bijna op. De volgende ochtend werd ik door mijn bazen bij het hostel opgepikt, en zijn we terug naar Clare gereden. Back on the farm.
Het was een leuk weekend, Kangaroo Island is schitterend, en helemaal niet druk. Ik heb erg veel zin in het reizen, het werkt verslavend. Ik verlaat Clare begin- of half september, en reis dan weer terug naar Adelaide. Ik ben van plan een 14-daagse reis te boeken, die start in Adelaide. Van Adelaide reis ik vervolgens naar het noorden van het land, eindigend in Darwin. Een reis van zo'n 4000km. De zogenaamde outback is enorm, en onderweg valt van alles te zien. Daarna heb ik nog zo'n drie maanden de tijd om te reizen/werken (hopelijk meer van het eerste) maar concrete plannen heb ik nog niet. Tasmanië wil ik erg graag zien, maar ik heb nog niets gepland of geboekt. We'll see.
Tijd om af te sluiten. Foto's zijn weer te vinden op de volgende website:
http://melburnian.myphotoalbum.com/
Groetjes,
Karin
Hi,
De afgelopen maand is er behoorlijk wat veranderd: stage is afgelopen, en Melbourne heb ik verruild voor countrytown Clare. Inmiddels ben ik alweer twee weken op het platteland, en voelt het alsof Melbourne heel ver weg is.
Drie weken geleden heb ik mijn stage afgerond. Het was een leuke tijd, en de laatste paar weken zijn voorbij gevlogen. Na afscheid te hebben genomen van stagebegeleider, huisgenootjes, Dutchy Marit en huisbaas + familie, ben ik op het vliegtuig naar Adelaide gestapt, een stad(je) zo'n 800km vanaf Melbourne. Een week voor vertrek had huisbaas Vivian een afscheidsfeestje voor me georganiseerd, thanks mates! Erg gezellig diner, compleet met feesthoedjes en (overgebleven) kerstversiering.
Na een vlucht van amper een uur stond ik met m'n 16-kilo-zware-backpack (wat een drama, die dingen) laptop, en rugtas in Adelaide, en ben ik met de bus verder gereisd naar een hostel midden in de stad. Bagage gedumpt, en op naar het centrum. 'Stad' zou ik Adelaide trouwens niet willen noemen, in vergelijking met Melbourne is het een gehucht. De sfeer is er heel anders, mensen zijn vriendelijker (ze GLIMLACHEN zelfs naar je) en het is er heerlijk gemoedelijk allemaal.
Het voordeel van een kleine stad is ook, dat je eigenlijk geen openbaar vervoer nodig hebt, je kunt overal gemakkelijk naartoe lopen. De eerste dag heb ik voornamelijk wat geslenterd, foto's gemaakt en boodschappen gedaan. Vreemd om ineens alleen te zijn; ik ben toch wel gehecht geraakt aan mijn huisgenootjes en Melbourne, kwam ik achter. Maar in Adelaide zijn best een aantal leuke dingen te doen. Hahndorf is een Duitse nederzetting niet ver vanaf Adelaide; en waarom ik daar nu per se naartoe wilde: no idea. Na een half uurtje in de bus te hebben gezeten (het rotding bijna nog gemist ook) stapte ik uit bij een winkelstraatje in the-middle-of-nowhere. In alle reisgidsen wordt Hahndorf neergezet als the-place-to-be, maar ik snap het enthousiasme niet helemaal. Er valt he-le-maal niets te beleven, tenzij je dure souvenirs (lees: koeienbellen) wilt kopen. De scones en cappuccino zijn er wel goed, trouwens. Dat was ook gelijk het hoogtepunt van mijn bezoek aan Hahndorf. 's Middags besloot ik naar Glenelg te gaan, een buitenwijk van Adelaide, gelegen aan zee. In de Australische versie van RTL Travel werd Glenelg Beach als één van de mooiste stranden van Australië genoemd, dus dat beloofde wat. I agree: het is ook een mooi strand. Glenelg is een populaire wijk, en er zijn veel hotels en restaurantjes te vinden. In 1857 werd de pier gebouwd, die gebruikt werd door vissers, en om goederen te laden en te lossen. In 1943 werd de pier door een storm verwoest, en een tijdje later herbouwd. De ‘nieuwe' pier staat nog steeds overeind en is te vinden aan het eind van Jetty road, een leuk winkelstraatje. Na een fijne strandwandeling, ben ik nog even langs Jetty road gelopen, en heb goedkope schoenen geschoord. Awesome.
Het South Australian Museum is een schitterend oud gebouw, en huisvest verscheidene exhibities. Ik heb me er bijna drie uur vermaakt. Het mooie van de meeste Australische musea is, dat de toegang gratis. Good on ya, Australia. Biodiversity Gallery, fossielen, Pacific Cultures Gallery, de halve Australische fauna staat in de vitrines opgesteld; er is een hoop te zien. Ook is er de grootste Aboriginal-cultuur tentoonstelling van het land te vinden: erg mooi. Er is gelukkig nog iets bewaard gebleven van de eeuwenoude cultuur. Na het museum eindelijk verlaten te hebben, ben ik naar de Botanische tuinen gelopen. Ook altijd leuk, zo'n oase van rust midden in een stad. Deze tuinen waren minder indrukwekkend dan die van marvelous Melbourne, maar zeker het bezoeken waard. De tuinen werden in 1857 geopend, Versailles schijnt één van de inspiratiebronnen te zijn. The Palm House, een enorme kas, is in 1875 geïmporteerd uit Bremen en staat middenin de tuinen te pronken. In de kas zijn een aantal bloemen en planten uit Madagaskar te bewonderen.
En toen was het Adelaide avontuur alweer bijna afgelopen. Mijn bus naar Clare, waar ik de komende maanden werk, vertrok pas aan het eind van de middag, en dus had ik nog even tijd om het één en ander te doen. Nog maar een museumpje. Want dat is gratis. Dus op naar het Migration museum. Don't ask why, het leek me gewoon leuk. Ik ben er achtergekomen dat ‘dé Australiër' niet bestaat, het zijn in feite allemaal geëmigreerde Europeanen. Het beeld dat meeste mensen van ‘de Australiër' hebben, is dat van een Crocodile Dundee/Steve Irwin type: een über stoere, hoed(-met-kurken-om-vliegen-te-verjagen) dragende kerel, die blootsvoets door de bush slentert en over ieder beestje en bloemetje wel iets te melden heeft. Nah. Tachtig procent van de Australiërs woont in de steden, waardoor je de Aussies eerder moet typeren als city slickers. Dit bush-type beeld is natuurlijk voornamelijk door henzelf gecreëerd, waarschijnlijk omdat je er leukere films over kunt maken.
Goed, het Migration Museum dus. Was erg leuk, het gaf een goed beeld van de huidige bewoners. Er was een exhibitie te zien die zich richtte op de stroom van ‘nieuwe bewoners', die in de jaren '50 en '60 Australië als het beloofde land zagen. Leuk om te zien hoe mensen zich het nieuwe land eigen maakten door een stuk eigen cultuur mee te nemen; denk aan recepten, huis-tuin-en-keuken apparatuur etc. Home is where the heart is. De diversiteit heeft enorm veel invloed gehad op het hedendaagse Australië: door de vele culturen is het een beetje a-bit-of-everything geworden. Ook werd er wonderbaarlijk genoeg een eerlijke kijk op de Aboriginal geschiedenis gegeven, en de invloed die de blanken hebben gehad. Over het algemeen verzwijgen ze dat hier liever. Goed, het was dus een interessante ochtend, en veel tijd was er daarna niet meer over. De bus moest ik halen, helemaal omdat er maar eentje per dag vertrekt richting Clare. Dus maar weer teruggegaan naar het hostel, rot backpack naar het busstation gesleept, en drie uurtjes later arriveerde ik in Clare, waar ik opgehaald werd door mijn nieuwe bazen: Vicky en Mark.
Clare is een klein dorpje gelegen in de Clare Valley, één van de oudste wijnregio's van Australië. Vanaf 1840, toen de eerste Ieren en Britten arriveerden, wordt er wijn geproduceerd. De Riesling wijn is hier ‘geboren', maar er worden nog veel meer wijnsoorten geproduceerd in de regio. De omgeving is schitterend, groene heuvels zover je kunt kijken. In het dorpje Clare ben ik dus uitgestapt, en zijn we met de auto verder gereden naar Bungaree Station, 12km buiten het dorp. Bungaree Station is een boerderij annex toeristen accommodatie en wordt al generaties lang door de Hawker familie gerund. Vicky is een zesde generatie Hawker, en runt met verloofde Mark de toeristenbusiness. Vicky's broer Ed houdt zich bezig met de boerderij en alles wat daarbij komt kijken. Er kunnen in totaal 88 gasten worden gehuisvest, in verschillende oude gebouwen op het erf. Bungaree Station is eigenlijk een klein dorpje, ze hebben zelfs hun eigen kerkgebouwtje. Alle gebouwen zijn erg oud, en door Vicky's moeder gerestaureerd. De Courtyard apartments werden bijv. vroeger gebruikt als paardenstallen, en in de Shearers Quarters werden lang geleden de schapenscheerders geherbergd. Veel geschiedenis dus. Ik werk samen met Vicky en Mark, en heb verschillende taken. Bedden verschonen, tuinieren, schoonmaken, dieren voeren (herten, schapen, honden, tamme kangoeroe Milo, paarden en een scheelkijkende kat). Vorige week heb ik 340 schapen gevaccineerd. All in a day's work. Oh, we hebben ook bettongs. Don't worry, ik had er ook nog nooit van gehoord. Het zijn kleine Australische diertjes die in het wild niet veel meer voorkomen; een soort van megahamster die springt als een kangoeroe en ook een buidel heeft. Vreemde creatie.
Direct na aankomst heb ik kennis gemaakt met de familie, en hebben we samen gegeten. Goodbye city, hello countrylife! De mensen zijn erg aardig, en ik heb het naar mijn zin. Al moet ik wel zeggen dat de overgang Melbourne-Clare behoorlijk groot is. Maar ik ben in feite een plattelandsmeid, dus ben alweer helemaal gewend aan het boerenbestaan en geniet er echt van. 's Ochtends samen ontbijten (porridge, scrambled eggs en vegemite) en 's avonds samen koken. Homemade muffins, zelfgemaakte pasta; het is fantastisch. Ik ben inmiddels de beste pastamaker van het land, en kan zelfs fatsoenlijke koffie zetten. En de wijn is hier fijn! Ik ben het gaan waarderen, 's avonds tijdens het eten een echt South Australian wijntje drinken is niet verkeerd. Met Vicky en Mark ben ik vorige week naar verschillende wijnproeverijen in de omgeving geweest. Ook zijn we naar een ome geweest die cider produceert, één van de weinigen in Australië. Vicky en Mark hebben me verschillende dorpjes in de omgeving laten zien, en we hebben geluncht in een oude pub in Mintaro, een historisch dorpje. Daar hebben we Martindale Hall bezocht, een kasteeltje dat gebouwd is door Britten die hiervoor speciaal werden ingehuurd, en na het afronden van de klus weer naar Engeland vertrokken. Een erg mooi gebouw, helemaal in oude glorie hersteld. Een gedeelte van Australische klassieker ‘Picnic at Hanging Rock' is hier op locatie gedraaid. Een geslaagde roadtrip, erg leuk om zo wat van de omgeving te zien.
Het afgelopen weekend heb ik over het erf gewandeld. Met 2200 hectare grond tot je beschikking, kun je lopen tot je erbij neervalt. Wilde kangoeroes, vossen, herten en galah's (een kaketoe soort - galah wordt hier ook als scheldwoord gebruikt, als in ‘stommeling'), je komt van alles tegen. Het fijne is hier vooral, dat ik 's ochtends niet wakker word van de treinen die langs mijn slaapkamer racen, maar van vogeltjes die een leuk deuntje zingen. Not bad.
Ik ben van plan hier een maand of drie te blijven, en ga daarna nog een aantal weken reizen. Waarschijnlijk begin ik met de route Adelaide - Alice Springs, om vervolgens de Westkust af te reizen. Tasmanië en Sydney staan ook hoog op de verlanglijst, dus vervelen ga ik me vast niet.
Goed, tot zover mijn nieuwe avonturen. Bedankt voor jullie berichtjes, altijd erg leuk om van jullie te horen!
Liefs Karin
P.S. Ik kan helaas geen foto's meer op deze site zetten, en heb dus naar een alternatief moeten zoeken. Vanaf nu zijn foto's op de volgende website te vinden:
http://melburnian.myphotoalbum.com/
G'day mates,
Alwéér een maand voorbij... Time for a new story.
Stage. Het was druk druk druk de afgelopen maand! Voor de BBC moest een documentaire die vorig jaar afgerond is, verkort en aangepast worden. Een leuk project, ik heb me voornamelijk bezig gehouden met het bekijken van al het gedraaide materiaal, door zestig DVD's (versneld) te bekijken, om vervolgens daar weer een selectie uit te maken. De naam van de docu is ‘Kohonas', en is in november 2009 hier in Australië uitgezonden. Het gaat over cabaretier Simon Palomares, in de jaren '60 is hij met zijn ouders van Spanje naar Australië geëmigreerd. In de documentaire gaat Simon terug naar Spanje, waar zijn vader inmiddels weer woont. Daar probeert hij uit te zoeken wie en wat hij nu eigenlijk is: Spaans of Australisch. In Australië wordt hij gezien als de Australiër met de Spaanse naam, in Spanje is hij de Spaans sprekende Australiër.
Goed, daar gaat het dus zo'n beetje over, maar de BBC wilde een verkorte versie; dus de helft van de bestaande documentaire moest geschrapt worden. Ook moest er wat materiaal bijkomen. Na niet-gebruikt materiaal opgezocht te hebben, heb ik met mijn baas, en Simon en zijn zoon een aantal extra scènes opgenomen, wat vervolgens in de edit suite door een professionele editor gemonteerd is. Het was leuk om het hele proces van dichtbij mee te maken; behoorlijk intensief allemaal. Het eindproduct hebben we gelukkig voor de deadline in kunnen leveren, en een paar weken daarna is de documentaire door de BBC uitgezonden. Missie geslaagd. De nieuwe naam van de (verkorte) documentaire is trouwens ‘Back to my Roots'.
Een paar weken geleden ben ik voor het eerst in mijn leven naar een musical in theater geweest. Mijn theaterbezoek had behalve de entertainment factor nog een reden... Flying Doctors acteur Robert Grubb speelt mee! OK, ik geef het toe: ik ging puur en alleen naar de musical voor Robert Grubb. Mijn (jeugd)held. Hij speelt Harry Bright in Mamma Mia!, een erg leuke musical trouwens. Helemaal omdat de liedjes niet vertaald worden, ik moet er niet aan denken om anderhalf uur lang naar Nederlandse ABBA versies te luisteren. "Jij bent de Dancing Queen, jong en lief, nog maar zeventien. Dancing Queen, koningin van de hele scene, oh yeah!" Nah. Anyway, ik vond het briljant, mijn leven is compleet. Oh, I met Robert Grubb, too! Ik beloof het: ik ben echt niet een groupie, maar deze kans kon ik niet laten schieten. Erg aardige man, hij had een beetje haast want hij moest zijn vrouw ophalen. Hij heeft mijn Flying Doctors DVD box gesigneerd, ik heb een paar leuk foto's gemaakt, en we hebben even staan kletsen. Yep, I love him.
Ned Kelly: dé volksheld van Australië. De beste man is al 130 jaar dood, maar de herinnering aan hem alive and kicking. Hij werd in 1855 in Victoria, Australië geboren. Zijn vader was een Ierse crimineel, die in 1843 verscheept werd naar Australië. Wat een voorrecht. Hij trouwde met Ellen, samen kregen ze 8 kinderen, waaronder Edward ‘Ned'. Ned en zijn familie hielden wel van een beetje vertier, en werden in totaal van 18 verschillende misdrijven beschuldigd. Ned had ook wel veel pech, toen hij op het gestolen (wist hij niet) paard van een vriend reed, werd hij aangehouden en beschuldigd van de diefstal. Compleet onschuldig was de familie niet altijd hoor, er werd regelmatig wat vee van boeren in de omgeving ‘geleend', en tijdens aanvaringen met politie trok Ned graag zijn pistool om een paar smerissen aan flarden te schieten. Ook was het beroven van banken een fijne Kelly-family hobby. In zelfgemaakte harnassen (44kg per stuk) gingen ze de corrupte autoriteiten te lijf: de ultieme Australische underdog. Of een koelbloedige moordenaar, een crimineel. De meeste Australiërs zijn in ieder geval dol hun versie van Robin Hood. In Glenrowan, een dorpje in Victoria, liep de Kelly-groep (waar inmiddels ook een paar van Ned's vrienden bij waren aangesloten) in de val. Politie was onderweg, en ze konden geen kant op. De Kelly groep werd overmeesterd, en op Ned na, overleefde niemand van zijn club het vuurgevecht. Op 11 november 1880 werd hij in de gevangenis van Melbourne opgehangen. Beschuldiging: het doodschieten van een agent.
Er zijn 600 boeken over de Kelly familie geschreven, en het verhaal is vaak verfilmd. Goed, dat was weer een stukje Australische geschiedenis. Wat ik eigenlijk wilde vertellen, is dat ik naar de Old Melbourne Goal ben geweest, de beruchte/beroemde gevangenis waar Ned zijn laatste dagen moest slijten, en waar hij uiteindelijk ter dood is gebracht. Het lichtelijk lugubere gebouw is nu een museum, en wordt drukbezocht door toeristen. De gevangenis is tussen 1841 en 1845 gebouwd, en werd in 1924 gesloten. Er zijn in totaal 135 veroordeelden opgehangen. Van een aantal van hen zijn de ‘deathmasks' bewaard gebleven. Een gipsmasker, dat na het overlijden werd gemaakt zodat ‘psychologen' konden onderzoeken of de grootte en vorm van de schedel misschien iets te maken konden hebben met de criminele aard van de persoon in kwestie. Hoe diepzinnig allemaal. Ze geloofden er heilig in, destijds. De afgietsels zijn goed bewaard gebleven, en het is best raar om al die gipshoofden op rij te zien. Een beetje griezelig. Na het Ned Kelly toneelstuk dat opgevoerd werd door een actrice (het Kelly verhaal verteld door moeder Ellen), besloot ik dat ik lang genoeg in een gevangenis was geweest. Het is fijn een vrij mens te zijn.
Op zondag 25 april ging 's ochtends om 5.00u de wekker. ANZAC Day! De Australische versie van 4 mei - dodenherdenking. ANZAC staat voor ‘Australian & New Zealand Army Corps', de naam voor de gezamenlijke troepen. Op 25 april 1915 begon de aanval op het Turkse schiereiland Gallipoli, veel Australiërs en Nieuw-Zeelanders zijn hier gesneuveld. En dat wordt op 25 april o.a. herdacht. Vroeg opstaan dus, want om 6.00u begon de ceremonie in de stad, bij the Shrine of Remembrance (zie vorige post). Met Rachel ben ik door een nog slapende stad naar het oorlogsmonument gefietst. Bij the Shrine was het trouwens wel erg druk, maar oh-zo saamhorig.
Er werd iets verteld door een ome die ik niet kon zien door de mensenmassa, er werd een gedicht voorgelezen en een koor zong een aantal liederen. Waaronder natuurlijk de volksliederen van Australië en Nieuw-Zeeland. Best indrukwekkend, helemaal omdat de zon nog niet op was, en we dus in het aardedonker, met the Shrine of Remembrance op de achtergrond, opeengepakt stonden. Op zich niet vervelend, want het was steenkoud. Nadat de zon was opgekomen, hebben Rachel en ik een bak troost gehaald in een bizar rustige stad; winkels waren nog niet geopend en de meeste mensen bleven bij the Shrine rondhangen. Om 9.00u begon de optocht in hartje stad: senioren in oldtimers, jongeren met vlaggen, doedelzakverenigingen en militairen. Ik vond het wel interessant. Niks mis met vaderlandsliefde, op z'n tijd. De optocht begon in Swanston Street, en eindigde weer bij the Shrine of Remembrance. Daar werden 's middags een aantal speeches gehouden. Na het maken van minstens 300 foto's, zijn we maar meegelopen naar the Shrine, en hebben daar nog een tijdje staan kijken. Aan het einde van de ochtend konden we geen oldtimer meer zien, en dus zijn we maar weer fijn naar Toorak gefietst. De speeches die na ons vertrek begonnen, heb ik comfortabel thuis vanaf de bank meegemaakt.
Oh, ik heb een baan! Na minstens 30 mailtjes te hebben verstuurd naar allerlei bedrijven, heb ik dan toch een job gekregen. Ik ben er erg blij mee: de tijd begon toch wel te dringen, en het geld op te raken. Ik ga werken in Clare, een dorpje in South Australia; 837km bij Melbourne vandaan. Op een boerderij die gedeeltelijk omgebouwd is tot (toeristen)accommodatie, Bungaree Station genaamd. Mijn taken zullen o.a. bestaan uit het klaarzetten van ontbijt/lunch/diner, het verschonen van bedden, het begroeten van gasten, grasmaaien, met de (toeristen)kindertjes dieren voeren etc. etc. Veel verschillende taken dus. Ze hebben 4000 schapen, 40 koeien, 80 herten, een paard, een pony, 6 honden en een kat, dus ik geloof dat ik me niet hoef te vervelen. Ook zijn er veel wilde kangoeroes, herten en konijnen in de omgeving te vinden; dus dat wordt reuze gezellig. Ik verblijf op de boerderij zelf, en eet met de familie mee, dus dat is allemaal prima geregeld. Op 6 juni vlieg ik van Melbourne naar Adelaide, waar ik een paar dagen blijf om de toerist uit te hangen. Vervolgens reis ik op 9 juni met de bus verder naar Clare, waar ik rond 11 juni kan beginnen met mijn nieuwe baan. Awesome. Ik heb er erg veel zin in, het werk lijkt me erg leuk en South Australia schijnt een schitterende staat te zijn. Ik heb ook besloten langer in Australië te blijven dan gepland, na een maand of drie in Clare te hebben gewerkt, is het tijd om het verdiende geld uit te geven aan reizen. Er is zoveel dat ik wil zien, ik weet niet waar ik moet beginnen. Ik heb een paar weken geleden mijn terugvlucht gewijzigd: op 27 december 2010 arriveer ik om 9.45u weer in Nederland. Dat betekent dat ik na het werken in Clare nog een maand of vier heb om te reizen. Ik word een rasechte toerist; backpack is al aangeschaft. Hoera!
Brighton is dé jetset wijk van Melbourne. De huizen zijn er belachelijk groot, en de wijk heeft een eigen ‘Royal Yacht Club'. Afgelopen weekend was het tijd voor een bezoekje, vond ik. Met de trein is het een half uurtje reizen, wat voor Australische begrippen om de hoek is. Brighton heeft een gunstige ligging: pal aan het strand. Niet vervelend, en dus ben ik langs het strand naar de ‘Yacht Club' gelopen, en ben me in Sandy's Beach Kiosk te buiten gegaan aan junkfood. Heerlijk, toerist zijn. Ik was eigenlijk op zoek naar dé Brighton trekpleister: bathing boxes. Kleine, houten huisjes die in 1862 geïntroduceerd werden en waarvan er inmiddels 82 nieuwe zijn gebouwd. Back in the days werden ze gebruikt door badgasten, nu is het een statussymbool. I.p.v. de badgasten, zijn het nu de egotrippers die zo'n houten-hutje-zonder-ramen aanschaffen, om er vervolgens weinig anders mee te doen dan pronken. De rolls-royce past er niet in, dus waar ze ‘m wel voor gebruiken; ik weet het echt niet. Om er eentje aan te kunnen schaffen moet je wel een aardig zakcentje hebben: per stuk kosten ze $200.000 (€140.000). Kijken is gratis, en dat is wat ik heb gedaan. Na kilometers te hebben omgelopen, vond ik de hokjes eindelijk aan de andere kant van het dorp. Het leuke is, dat de eigenaren enorm hun best hebben gedaan om er een vrolijk geheel van te maken; alle 82 zien ze er compleet verschillend uit. Felle kleuren, heeeeeeel veel felle kleuren. Teletubbie land: eat your heart out.
Dit was geloof ik mijn laatste Melbourne-bericht, over een aantal weken kan ik meer vertellen over Adelaide, South Australia en Bungaree Station. See ya!
Karin
Nog acht weken, en dan zit mijn stage er alweer op... Een half jaar lijkt lang, maar is ongelofelijk snel voorbij.
De afgelopen maand heb ik kangoeroes geaaid (kansloos, ik weet het), de Great Ocean Road gezien (moooooooooooi...!), én ben ik nog een keertje naar Grampians National Park geweest.
Jeetje, ik weet niet waar ik moet beginnen. Ik verontschuldig me nu alvast maar voor (weer) een veel te lang bericht. Een aantal weken geleden ben ik met Dutchie Marit naar Healesville Sanctuary geweest. Een dierenpark in de Yarra Valley, zo'n 40km vanaf Melbourne. Ik heb niet zo heel veel met dieren achter tralies, maar dit park is wel een beetje bijzonder. Healesville Sanctuary huisvest namelijk meer dan 200 soorten typisch Australische beestjes. Inheems is eigenlijk het woord geloof ik. Kangoeroes, koala's, wombats, emus, dingo's, vogelbekdieren etcetera etcetera. Aangezien ik nog steeds geen kangoeroe van dichtbij had gezien, zijn we uit pure wanhoop maar naar Healesville Sanctuary gereisd met bus en trein.
Meet Tinker. Een kangoeroetje dat door mensen is grootgebracht. Baby kangoeroes (ze worden hier joey's genoemd) hebben natuurlijk een enorm hoog schattigheidsgehalte, maar worden, zoals dat gaat, groter. Of heel veel groter. Zo ook Tinker. Tja, en wat doe je dan; als je erachter komt dat de ooit o-zo-lieve joey ineens een echte kangoeroe blijkt te zijn! Dilemma, dilemma. Healesville kreeg ‘m cadeau, en nu weet arme Tinker niet meer precies waar z'n plek is. De andere kangoeroes hoeven ‘m niet, en dus struint het beest maar op z'n gemak een beetje rond in z'n eentje. Voordeel van een tamme kangoeroe: die kun je aaien! En dat hebben we dus gedaan. M'n Australische huisgenootje lachte me vierkant uit toen ik het haar vertelde. ‘Only four-year-olds do that!' Right. Ik vond het stiekem best leuk. Lekker zacht velletje, ook. Ze kunnen trouwens wel behoorlijk hard trappen. Een aantal weken geleden stond het volgende nieuwsbericht op internet: "Jogger knocked out by kangaroo". In Canberra, de hoofdstad, werd de beste man op klaarlichte dag door het rotbeest voor z'n hoofd geslagen. Toen hij weer bijkwam, was skippy ‘m gesmeerd en kon meneer jogger afgevoerd worden naar het ziekenhuis.
Koala's zijn überlief, al maken ze heeeeeeeeeeele rare geluiden. Later meer daarover. Ze vreten eigenlijk alleen maar eucalyptusbladeren, waar veel vocht in zit. Daarom hoeven ze bijna nooit te drinken, en slapen ze gemiddeld 18 uur per dag. Saaie beesten, eigenlijk.
De Tasmaanse duivel is ook zo'n maf inheems beest. Hij eet z'n prooi (wallabies, lammeren, vogels) letterlijk met huid en haar op. Z'n naam heeft hij waarschijnlijk te danken aan het feit dat zijn puntige oortjes rood worden zodra hij kwaad wordt, of aan het bloedstollende geluid dat hij maakt. Cutie.
Ok, nog eentje dan: de dingo. Een verwilderde hond, die waarschijnlijk door mensen als huisdier is meegenomen, lang geleden. Ze houden van schapen, en kunnen er tig opeten in één nacht tijd. Boeren zijn dus iets minder dol op het rode hondje. Uit frustratie hebben de farmers dus maar een hek aangelegd, om het probleem op te lossen. Niet echt een succes, maar Australië heeft nu wel mooi het langste hek ter wereld: het ding is 5320km lang.
Ik moet een beetje terugkomen op mijn vooroordelen wat dierenparken betreft: Healesville is erg mooi. Ik had niet het idee in een aangelegd park te zijn; well done. Erg leuk om de Australische flora en fauna eens van dichtbij te zien, al is het dan in een park.
En toen was het Pasen. Vier dagen vrij! Marit en ik zouden in eerste instantie een surflesje nemen, maar dat plan groeide uit tot een drie-daagse-reis. Van de surfles is nog niks gekomen, maar de Great Ocean Road en Grampians National Park maakten een hoop goed.
Met Bunyip Tours (ja, we waren lui en zijn met 22 andere toeristen in een bus gestapt) hebben we op 2,3 en 4 april een tof tripje gemaakt. Georganiseerde reizen gaan eigenlijk tegen mijn principes in: het is niet echt avontuurlijk, en die bus-met-levensgroot-reismaatschappij-logo maakt het er ook niet spannender op. Maar goed, het is me eigenlijk best meegevallen.
Een Bunyip is trouwens een mythisch wezen, dat zich volgens Aboriginals verstopt in moerassen en mensen eet. Just so you know.
Dus met reisleider Adam (mafketel), twee Amerikanen, twee Britten, een Libanees, een Mexicaan en 15(!) Aziaten (we're so lucky) op weg naar Grampians National park. Na een rit van drie uur begonnen we aan een wandeling door de bergen. Erg mooi! Het blijft indrukwekkend. Eindbestemming was Halls Gap, het enige dorpje in het nationale park. Lunchtijd. Sandwich met vlees of vis. Thanks mates. Vegetariër: no more! Het is hier vrijwel onmogelijk om je aan je principes te houden wat dat betreft; ik had doorgegeven dat ik vegetariër ben, maar dan eet je toch wel vis? Nope. Brood met tonijn dus.
Met huisgenoot Rachel en haar familie heb ik de Grampians al eens eerder gezien, dus ik zal niet teveel in herhaling proberen te vallen. Brambuk Cultural Centre vertelt over de (trieste) Aboriginal geschiedenis, met name die van de Zuid-Australische stammen Jardwadjali and Djab Wurrung. De Grampians worden door hen ‘Gariwerd' genoemd, een naam die langzamerhand een beetje wordt overgenomen. Het cultureel centrum probeert de Aboriginal cultuur levend te houden en speelt tegelijkertijd een belangrijke rol in werkgelegenheid voor Aboriginals. Het centrum wordt dan ook helemaal gerund door de locale Aboriginals. Op naar the jaws of death (zie vorige post). In een poging bijgelovige toeristen een beetje gerust te stellen, zijn de rotsen recentelijk omgedoopt tot ‘the balconies'. Tsss...
De Mackenzie waterval is een van de grootste Grampians trekpleisters. Zelfs tijdens hevige droogte bleef het water hier maar stromen. De waterval is een meter of 30 hoog denk ik, en is leuk voor de welbekende toeristische kiekjes. Tijdens het paasweekend was het er vreselijk druk, wat dan weer een beetje jammer is. Als toerist wil je natuurlijk geen andere toeristen tegenkomen... Tja. De honderden traptreden hebben iedereen de rest van het weekend stramme benen bezorgd, maar ik heb toch maar mooi de Mackenzie Falls gezien.
En toen was dag 1 alweer voorbij. Slaapzakken waren al gereserveerd, en dus op naar de Wilderness Lodge, middenin het park. Wat een feest, kamperen! Hobbelend over een zandweg op weg naar het terrein, dat behoorlijk in de rimboe ligt. Kangoeroes, magpies en kookaburras; lang leve de Australische fauna! 's Avonds in de gemeenschappelijke outdoor-kitchen gebarbecued, en ik moet zeggen: het was gezellig. Leuke gesprekken gevoerd, prachtige zonsondergang, en heeeeeeel veel sterren gezien. (op het platteland lijken het er ontelbaar meer te zijn dan in de stad) Door het gebrek aan luchtbedden een lichtelijk oncomfortabele nacht gehad, maar ach; het was hoe dan ook een feestje.
Volgende ochtend snel alles inpakken, ontbijten, en op naar de Great Ocean Road. Een 243km lange kustroute die kort na WO1 is gebouwd door teruggekeerde soldaten, ter nagedachtenis aan hun omgekomen makkers. Dertien jaar heeft het geduurd voordat de ‘road' af was, maar ze hebben er wat moois van gemaakt. Het bezichtigen van de Great Ocean Road werd in ons geval opgedeeld in twee dagen. De eerste dag stond de Shipwreck Coast op de planning, de tweede de surfkust. Eerste stops: Bay of Islands en Bay of Martyrs. Schitterende uitkijkpunten, zo mooi dat ik niet weet hoe ik het moet omschrijven. Misschien kan ik het beste naar de foto's verwijzen, om toch een beeld te geven, so to speak. De naam ‘Bay of martyrs' zegt veel over de geschiedenis, het woeste kustgebied heeft veel scheepslieden, immigranten en gevangenen het leven gekost. De ruwe zee, dikke mist en het gebrek aan vuurtorens maakten het een gevaarlijk gebied. Meer dan 50 schepen zijn hier vergaan. De bekendste is Loch Ard, maar daar kom ik later op terug.
Next stop: London Bridge (originele naam...) De bridge was tot 15 januari 1990 deel van de klif op het vasteland, maar het stuk rots dat de twee delen met elkaar verbond, stortte in. Tot die tijd was het dus mogelijk om op de ‘bridge' te staan, en dat gebeurde die bewuste dag ook. Twee toeristen stonden fijn op de London Bridge van het uitzicht te genieten, terwijl de boel instortte en ze vervolgens drie uur vastzaten. Er moest een helikopter uit Melbourne komen om hen te redden. Niemand raakte gewond, maar het heeft destijds heel wat tijd en moeite gekost om de politieman er telefonisch van te overtuigen dat de brug toch echt in elkaar was gestort.
De Twelve apostles. Het waren er ooit twaalf, maar nu zijn er nog maar 8 ‘apostelen'. De andere vier zijn in zee gestort. De grootste Great Ocean Road trekpleister: en dat was te merken. Letterlijk honderden toeristen die zich liepen te verdringen voor een leuk kiekje. Volgens de lokale bevolking is de Bay of Islands minstens even mooi, en ik ben het met ze eens. De Bay is helemaal niet zo toeristisch, omdat het zo'n 60km bij de Twelve Apostles vandaan is, en de meeste mensen voornamelijk voor de Apostles komen. Ik vind ze om eerlijk te zijn een beetje overgewaardeerd. Wel erg mooi hoor, maar niet veel specialer dan de andere Great Ocean Road rotsformaties.
Hup, weer in de bus en verder. Loch Ard Gorge. Een baai vernoemd naar een schip dat in 1878 vanuit London na drie maanden ein-de-lijk in Australië was aangekomen, maar aan het einde van de reis helaas tegen de rotsen aanknalde en zonk. De 51 opvarenden waren aan het feesten om de aankomst in Australia te vieren, maar vergaten blijkbaar dat een schip bestuurd moet worden. Sukkels. Negenenveertig mensen vonden de dood, maar de 18-jarige Tom Pearce spoelde aan in de baai, wat zijn leven redde. Eva Carmichael, een Ierse die met haar hele familie naar Australië emigreerde, redde het eveneens. Dappere Tom hoorde haar om hulp roepen en riskeerde zijn leven door terug te zwemmen en haar te redden. Hoe ontroerend allemaal. Natuurlijk werden ze verliefd. Helaas wilde Eva, een rijkeluiskind, niet met leerjongen Tom trouwen. Maar de baai is mooi.
De laatste stop die dag: de Gibson Steps. Vernoemd naar ene Hugh Gibson, een kolonist die de boel wat toegankelijker wilde maken. Thanks mate. Een mooi strand, erg fijn voor de heerlijk toeristische plaatjes.
Oh, de jillaroo baan! Helaas is het niet doorgegaan; ik had met de beste man afgesproken hem te ontmoeten in Melbourne, maar moest toevallig net dat ene weekend werken. Bummer. Dus de ontmoeting ging niet door, en ik heb tot op heden niets meer van hem gehoord. Aardige, betrouwbare gozer. Anyway, ik heb inmiddels weer behoorlijk wat mailtjes verstuurd naar cattle stations in heel het land, en ga ervan uit dat ik binnen nu en acht weken wel een baantje vind.
Het is lastig om een jillaroo job te krijgen, omdat ik op paardrijden na, over weinig boerderij skills beschik.
Waar was ik gebleven. De great Ocean Road. De tweede nacht hebben we fijn tussen de koala's gekampeerd. De beestjes zien er vreselijk relaxed uit, maar maken een ongelofelijke rotherrie.
Zodra de zon ondergaat, worden ze wakker en schrik je je kapot van het geluid dat uit die kleine strotjes komt. Gelukkig waren we gewaarschuwd. 's Avonds rond het kampvuur marshmallows geroosterd met een paar Ieren, erg gezellig. De volgende dag weer vroeg op, inpakken en verder naar de Surfcoast. Voordat we die bereikten hebben we nog een wandeling gemaakt door een regenwoud, awesome. Heel veel ‘magic mushrooms', reisleider Adam verbood ons Nederlanders om ze op te eten. We hebben een reputatie om trots op te zijn. Onderweg hebben we verschillende stops gemaakt in de dorpjes Apollo Bay, Lorne en Torquay: voor het kopen van surfspullen kun je er je hart ophalen. Het was erg druk overal, ieder jaar wordt tijdens het paasweekend een groot surfevenement in Bells Beach georganiseerd: Rip Curl Pro. In Lorne weer een boterham-met-tonijn gegeten, en genoten van schitterende uitzichten: Teddy's Look out en Mount Defiance (heerlijk opbeurende naam). Zie foto's. Eén van de laatste bezienswaardigheden was Airey's Inlet: een vuurtoren. Voor ons Nederlanders niet bijster bijzonder, maar Australië is reuze trots op ‘The White Lady'. In de jaren '80 en ‘90 is hier de Australische kinderserie ‘Round the Twist' op locatie gedraaid, de omgeving is schitterend. Eenmaal in Torquay aangekomen, zat de reis er alweer op, helaas. Het was wat mij betreft erg geslaagd. Na drie maanden in Melbourne te zijn geweest kijk ik echt uit naar het reizen, Australië is zo mooi! Ik vind Melbourne een erg fijne stad, en ik voel me hier ook wel thuis: maar er is zoveel meer te zien. En het is vreselijk druk: als je gewend bent aan een Fries dorp, is Melly toch wel even wat anders.
Righto, genoeg gekletst. Tijd om af te sluiten.
Karin
Laat je e-mail achter en ik stuur je een mailtje als ik een nieuw verhaal of nieuwe foto's op de site heb gezet.